ECLI:NL:CRVB:2019:2766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldige herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten, waaronder de ziekte van Bechterew en fibromyalgie. Na een initiële WGA-uitkering werd haar arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld, waarbij het UWV concludeerde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten, waaronder pijn, vermoeidheid, concentratieproblemen en medicijngebruik.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en stelde vast dat de verzekeringsartsen de medische toestand zorgvuldig hadden beoordeeld en de beperkingen passend hadden vastgelegd. De psychische klachten en medicijnbijwerkingen waren onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. Ook was de door appellante gewenste urenbeperking niet medisch geïndiceerd.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WGA-uitkering had beëindigd en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WGA-uitkering van appellante terecht heeft beëindigd.