ECLI:NL:CRVB:2019:2768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden gezamenlijke huishouding
Appellante en haar partner hadden elk een eigen woning, maar uit onderzoek bleek dat de partner zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Dit werd onderbouwd met waarnemingen, waterverbruik, verklaringen en huisbezoeken. Het college stelde dat zij vanaf 1 juli 2013 een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl appellante stelde dat dit pas vanaf augustus/september 2015 het geval was.
De Raad achtte de verklaringen van appellante en haar partner betrouwbaar en niet onder druk afgelegd. Het hogere waterverbruik in de woning van appellante en het lagere in die van haar partner ondersteunde dit. Appellante had in 2012 aan haar bijstandsconsulente gevraagd of haar partner af en toe mocht logeren, wat was toegestaan met de waarschuwing dat dit de schijn van een gezamenlijke huishouding kon wekken en dat wijzigingen gemeld moesten worden.
Omdat het verblijf van de partner frequent was (vier à vijf keer per week), was dit niet slechts logeren. Appellante meldde dit niet tijdig, wat in strijd was met haar inlichtingenplicht. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de intrekking van de bijstand en de terugvordering van € 34.837,90. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens het niet melden van het voeren van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 juli 2013.