Uitspraak
18.4416 AOW-PV
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2048,-;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-pensioen en verklaarde een deel van zijn woonruimte te verhuren. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) concludeerde na onderzoek dat appellant en de huurder een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor appellant als gehuwd werd aangemerkt en het AOW-pensioen werd toegekend.
Appellant stelde dat de Svb ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden alvorens op bezwaar te beslissen, wat een schending van de hoorplicht volgens artikel 7:2 Awb Pro inhoudt. De Raad oordeelde dat dit formele gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd, omdat het besluit ook zonder dit gebrek hetzelfde zou zijn genomen.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding, met name of er een financiële verstrengeling bestond die verder ging dan het delen van woonlasten. Uit het onderzoek bleek dat appellant en de huurder gezamenlijk gebruik maakten van de woning, financiële zaken werden gedeeld en appellant zorg droeg voor de huurder, wat wijst op een gezamenlijke huishouding.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Limburg en veroordeelde de Svb in de proceskosten van appellant wegens het niet naleven van de hoorplicht. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van het AOW-pensioen voor een gehuwde en veroordeelt de Sociale Verzekeringsbank in de proceskosten van appellant.