ECLI:NL:CRVB:2019:280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als servicemonteur, meldde zich sinds 2010 meerdere keren ziek met psychische klachten en vroeg in 2015 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant op de relevante data minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor een duurbeperking.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat een duurbeperking noodzakelijk was en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom deze niet werd toegepast. Ook stelde hij dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn dagverhaal en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek of het oordeel van de verzekeringsartsen. De rapporten van de verzekeringsarts waren overtuigend en gaven geen aanleiding voor een duurbeperking. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.