ECLI:NL:CRVB:2019:281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als verkoopster, werd in 2015 ziek gemeld. Het UWV stelde bij besluit van 19 september 2017 vast dat zij per 2 november 2017 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Dit besluit was gebaseerd op een verzekeringsartsrapport, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig rapport. Het bezwaar van appellante werd door het UWV ongegrond verklaard.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen het UWV-besluit ongegrond. De rechtbank vond de medische rapporten zorgvuldig en goed onderbouwd. De door appellante ingebrachte medische informatie bevestigde haar problematiek, maar bood geen reden om de beperkingen in de FML te betwijfelen of de geschiktheid van de geselecteerde functies aan te passen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar gezondheidsklachten onvoldoende zijn erkend en dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit grotendeels een herhaling was van eerdere gronden, dat de rechtbank de gronden afdoende had gemotiveerd en dat de medische grondslag van het besluit deugdelijk was. Appellante had geen nieuwe medische informatie overgelegd die haar beperkingen onderschat zou aantonen.
De Raad onderschreef het oordeel dat de FML juist was en dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.