ECLI:NL:CRVB:2019:2842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf en verzekeringsstatus
Betrokkene heeft een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering, welke door het UWV is afgewezen omdat betrokkene geen rechtmatig verblijf had in Nederland en daardoor niet verzekerd was in de zin van artikel 3 van Pro de Werkloosheidswet (WW).
De rechtbank Amsterdam had het beroep van betrokkene gegrond verklaard vanwege onvoldoende zorgvuldig onderzoek door het UWV. Het UWV stelde hoger beroep in en nam tijdens de comparitie een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin de afwijzing werd gehandhaafd op basis van het ontbreken van verzekeringsstatus.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het arrest Tümer van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet van toepassing is op deze situatie, omdat betrokkene geen aanvraag had gedaan voor overname van loon wegens betalingsonmacht van de werkgever. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De aanvraag van betrokkene om een WW-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en verzekeringsstatus.