ECLI:NL:CRVB:2019:2907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid en afwijzing IVA-uitkering
Appellante, voormalig maatschappelijk werkster en docente, meldde zich in 2006 ziek met vermoeidheids- en concentratieklachten. Het UWV kende haar in 2008 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 83%. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 65,31%, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige betrokken waren.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze vaststelling ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende was ingegaan op haar bezwaren, waaronder de urenbeperking, psychische beperkingen en geschiktheid van geselecteerde functies. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV.
De Raad oordeelde dat de urenbeperking van twintig uur per week medisch voldoende gemotiveerd is en dat de zorg voor haar kind niet is betrokken bij de medische beoordeling. Er was geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt bevonden en appellante is niet volledig arbeidsongeschikt, waardoor geen recht op een IVA-uitkering bestaat.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 65,31% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep af.