ECLI:NL:CRVB:2019:2908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken noodzaak permanent toezicht of 24-uurs zorg in nabijheid
Appellante, geboren in 1971, diende een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke door het CIZ werd afgewezen omdat er geen noodzaak was voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Medisch advies concludeerde dat haar somatische aandoeningen, waaronder astma en COPD, niet leidden tot een dergelijke noodzaak.
Het Zorginstituut Nederland adviseerde dat er onvoldoende onderbouwing was voor toegang tot de Wlz en dat nader onderzoek weinig toegevoegde waarde zou hebben. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de zorgbehoefte planbaar was en kon worden opgevangen door begeleiding.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een onzorgvuldig onderzoek en dat zij wel degelijk recht had op de zorg, omdat zij bij benauwdheid niet zelf hulp kan inroepen. De Raad volgde dit niet, omdat de medische gegevens dit niet onderbouwden en appellante in staat was hulp in te roepen bij haar zus.
De Raad concludeerde dat appellante geen situatie heeft die voldoet aan artikel 3.2.1 van de Wlz en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor Wlz-zorg wordt terecht afgewezen wegens ontbreken van noodzaak voor permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid.