ECLI:NL:CRVB:2019:2917
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding meer huishoudelijke hulp en fitness op grond van AOR
Appellant, erkend als oorlogsslachtoffer met psychisch oorlogsletsel, verzocht om vergoeding van twee dagdelen huishoudelijke hulp en fitness/bezigheidstherapie op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).
De Sociale verzekeringsbank kende slechts een dagdeel huishoudelijke hulp toe, omdat meer hulp niet medisch noodzakelijk werd geacht. De gevraagde vergoeding voor fitness werd afgewezen omdat dit een algemeen gebruikelijke kostenpost betreft en niet direct samenhangt met geneeskundige behandeling.
De Raad bevestigde dat de lichamelijke klachten van appellant niet in verband staan met oorlogsletsel en dat er geen aanwijzingen zijn voor (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag die een uitbreiding van huishoudelijke hulp rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat fitness geen therapie is en dat de kosten daarvan niet onder de AOR vallen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding voor meer huishoudelijke hulp en fitness wordt ongegrond verklaard.