ECLI:NL:CRVB:2019:2936
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade en proceskosten wegens overschrijding redelijke termijn in WIA-procedure
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarmee het geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, waarna het hoger beroep werd ingetrokken.
De Centrale Raad van Beroep heeft het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op in totaal €3.877,99, inclusief kosten voor het opvragen van medische informatie. Tevens is het UWV veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de schadevergoeding.
De Raad heeft vastgesteld dat de totale procedure van bezwaar, beroep en hoger beroep ruim zes jaar heeft geduurd, terwijl de redelijke termijn voor een dergelijke procedure maximaal vier jaar bedraagt. Hierdoor is de redelijke termijn met meer dan twee jaar overschreden, wat aanleiding geeft tot een schadevergoeding van €2.500,-. Omdat de overschrijding in de rechterlijke fase plaatsvond, is de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante van €2.000,- en de proceskosten van €128,-.
De uitspraak bevestigt de toepassing van de wettelijke bepalingen omtrent vergoeding van schade en proceskosten bij overschrijding van redelijke termijnen en benadrukt het belang van tijdige afhandeling van procedures door bestuursorganen.
Uitkomst: Het UWV en de Staat zijn veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, wettelijke rente en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.