Appellant, werkzaam als applicatieontwikkelaar, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling kon het UWV geen passende functies aanwijzen, waarna appellant een WIA-uitkering aanvroeg. Het UWV kende een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 55,86%, gebaseerd op medische rapporten en een functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist in de FML waren vastgelegd. De arbeidsdeskundige had aanvankelijk geen functies kunnen duiden vanwege een onjuiste aanname over beperkingen in samenwerken, maar deze fout hoefde niet te worden herhaald bij de WIA-beoordeling.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat er geen functies geduid mochten worden, maar hij bracht geen nieuwe medische informatie aan. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en bevestigde dat het UWV de juiste conclusies trok en dat appellant in staat werd geacht de geselecteerde functies te verrichten.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.