ECLI:NL:CRVB:2019:2963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functies appellant volgens UWV
Appellant, werkzaam als verkoper/monteur, meldde een verslechtering van zijn gezondheid per 9 oktober 2013, met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 15 tot 25% met ingang van 6 november 2013. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn tinnitus en knie- en rugklachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV de belastbaarheid correct had ingeschat. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep onderzocht of het UWV terecht tot deze mate van arbeidsongeschiktheid was gekomen en of de geselecteerde functies passend waren.
Uit de medische stukken bleek dat de tinnitus pas in 2015 werd vastgesteld en niet op de datum in geschil aanwezig was. Ook de toename van arbeidsongeschiktheid vanaf 2016 had geen invloed op de beoordeling van 2013. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies geschikt waren.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV-besluit tot 15-25% arbeidsongeschiktheid per 6 november 2013 wordt bevestigd.