ECLI:NL:CRVB:2019:2967
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid volgens artikel 56 Wet WIA
Appellant was werkzaam als junior groepsleider en meldde zich ziek op 9 januari 2011. Het UWV kende hem vanaf 6 januari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na afloop van deze periode kreeg appellant vanaf 6 juli 2014 een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling beëindigde het UWV deze uitkering per 24 april 2016 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij volledig arbeidsongeschikt was en dat artikel 56 Wet Pro WIA daarom niet op hem van toepassing zou zijn. Hij stelde dat de uitlooptermijn langer had moeten zijn, verwijzend naar een voorbeeld in de memorie van toelichting. Het UWV en de rechtbank hadden dit standpunt verworpen omdat de wettekst duidelijk is en de memorie van toelichting betrekking heeft op IVA-uitkeringen, niet op WGA-uitkeringen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Uit artikel 5 Wet Pro WIA blijkt dat ook personen met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar zonder duurzame volledige arbeidsongeschiktheid, onder de werking van artikel 56 vallen Pro. De wetgever heeft geen langere uitlooptermijn beoogd. De uitlooptermijn van twee maanden is dan ook terecht toegepast. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering met inachtneming van de wettelijke uitlooptermijn.