ECLI:NL:CRVB:2019:2970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging medeterugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
In deze zaak gaat het om de medeterugvordering van bijstandskosten ten bedrage van € 6.251,68, gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft deze terugvordering ingesteld omdat appellant en mevrouw [X] in de periode van 25 september 2015 tot en met 7 april 2016 een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl bijstand werd toegekend aan [X] naar de norm voor een alleenstaande.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat onvoldoende financiële gegevens van appellant beschikbaar waren om de terugvordering te beperken tot een bijstandsnorm voor gehuwden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het niet redelijk is om alle kosten van bijstand terug te vorderen, omdat zij bij melding van de gezamenlijke huishouding aanspraak zouden hebben gehad op een lagere norm.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant geen nadere toelichting gaf op de onjuistheid van het oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten en wijst het hoger beroep van appellant af.