ECLI:NL:CRVB:2019:2991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling ondanks psychische en fysieke klachten
Appellant was laatstelijk werkzaam als schoonmaker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het dienstverband eindigde kort daarna. Het UWV beoordeelde in een eerstejaars Ziektewetbeoordeling dat appellant met inachtneming van beperkingen nog 71,62% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en stelde het recht op ziekengeld stop.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en er geen aanleiding was om te twijfelen aan de conclusies van de artsen. De rechtbank vond dat voldoende rekening was gehouden met de psychische en fysieke klachten en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voerde hij aan dat zijn beperkingen door onder meer hartaanvallen, longontsteking en angststoornis zwaarder zijn dan aangenomen. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat de beperkingen overtuigend en inzichtelijk waren gemotiveerd en dat appellant geen nieuwe medische informatie had overgelegd die tot een ander oordeel zou leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd.