ECLI:NL:CRVB:2019:300
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek na een herseninfarct en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. Na bezwaar en beroep werden enkele beperkingen toegevoegd, maar bleef de arbeidsongeschiktheid onder de 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn vermoeidheids- en concentratieklachten meer beperkingen rechtvaardigen, gesteund door een neuropsychologisch rapport.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De bevindingen van de neuropsycholoog leidden niet tot twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid. De arbeidsdeskundige had overtuigend gemotiveerd dat appellant met zijn beperkingen de geduide functies kan vervullen.
Het hoger beroep werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.