ECLI:NL:CRVB:2019:3001
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker had na intrekking van zijn bijstand op 25 juni 2018 een nieuwe aanvraag ingediend, waarbij hij verklaarde in zijn auto te verblijven op een parkeerplaats. Het college wees de aanvraag af omdat verzoeker niet op de opgegeven verblijfplaats werd aangetroffen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en vroeg een voorlopige voorziening om een voorschot op bijstand over de periode 25 juni tot 5 november 2018.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend bij onverwijlde spoed. Verzoeker stelde dat hij geld had moeten lenen en onder druk stond van schuldeisers, met suïcidale uitingen als gevolg. Deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd en verzoeker ontvangt sinds 5 november 2018 weer bijstand. Ook het feit dat hij gebruikmaakt van nachtopvang en zijn auto in beslag is genomen, leidt niet tot een spoedeisend belang.
Daarom concludeerde de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbreekt en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 17 september 2019 in het openbaar gedaan door J.L. Boxum.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.