Appellante ontving een toeslag op grond van de Toeslagenwet naast haar WGA-vervolguitkering. Het UWV herzag de toeslag en vorderde een bedrag van €2.390,94 terug omdat appellante pensioeninkomsten niet had opgegeven. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat zij haar mededelingsplicht had geschonden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij het formulier onbedoeld foutief had ingevuld en dat pensioeninkomsten niet duidelijk als op te geven inkomsten waren vermeld. Tevens stelde zij dat het UWV zijn onderzoeksplicht had geschonden door pas na ruim twee jaar een controle uit te voeren, en dat er sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen dat terugvordering niet zou plaatsvinden.
De Raad oordeelde dat appellante onverkort verplicht was haar pensioeninkomsten op te geven en dat het UWV niet verplicht was ambtshalve onderzoek te doen. De vertraging in terugvordering bood geen grond voor gerechtvaardigd vertrouwen of dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.