ECLI:NL:CRVB:2019:3051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens WW-uitkering echtgenote
Betrokkene ontving een AOW-uitkering met toeslag voor zijn echtgenote. In 2015 werd aan de echtgenote met terugwerkende kracht een WW-uitkering toegekend over een periode van ruim drie jaar. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag daarop de toeslag en vorderde het te veel betaalde bedrag terug.
Betrokkene stelde dat de WW-uitkering een incidentele eenmalige nabetaling betrof en dat de terugvordering hem in een noodsituatie bracht. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de nabetaling moet worden toegerekend aan de maanden waarop de WW-uitkering betrekking had en dat de Svb gehouden is tot terugvordering van onverschuldigde toeslag, tenzij dringende redenen zich voordoen. Deze dringende redenen waren niet onderbouwd. De terugwerkende kracht en de wijze van betaling stonden de herziening niet in de weg.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag wegens de WW-uitkering van de echtgenote.