ECLI:NL:CRVB:2014:3543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW-toeslag wegens loondervingsuitkeringen partner
Appellant ontving vanaf maart 2009 een AOW-pensioen met toeslag vanwege een jongere partner. Later bleek dat zijn partner met terugwerkende kracht ziekengeld en een WGA-uitkering had ontvangen, wat volgens de wet op de toeslag in mindering moest worden gebracht. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde daarom de toeslag tijdelijk op nihil en vorderde de te veel betaalde bedragen terug.
Appellant voerde aan dat hij niet wist van de uitkeringen van zijn partner en dat de terugvordering onaanvaardbare financiële gevolgen had. Ook wees hij op het intrekken van de uitkeringen door het UWV. De Raad oordeelde dat de terugwerkende kracht van de herziening niet in de weg staat omdat appellant duidelijk had kunnen zijn dat zijn partner meer inkomen ontving dan waarmee rekening was gehouden.
De intrekking van de uitkeringen door het UWV deed niet af aan de terugvordering, omdat de betalingen wel hebben plaatsgevonden en niet worden teruggevorderd. De Raad stelde vast dat de Svb verplicht was tot terugvordering en dat appellant geen dringende redenen had aangetoond om hiervan af te zien. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de AOW-toeslag wegens loondervingsuitkeringen van de partner.