ECLI:NL:CRVB:2019:3073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig beroepsmilitair en later technisch medewerker, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid sinds 1994. Het UWV stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 13 februari 2014 en weigerde de uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank vernietigde het besluit, maar verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat appellant medisch geschikt was voor de voorbeeldfuncties op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 februari 2016.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het deskundigenonderzoek onvoldoende was, met name vanwege het ontbreken van een PTSS-specialist, en bracht hij een rapport in waarin PTSS werd vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, psychiater Van der Veer, zorgvuldig en overtuigend was en dat de diagnose PTSS niet automatisch leidt tot een andere beoordeling van de arbeidsbeperkingen.
De Raad volgde het oordeel dat de FML een juist beeld geeft van de beperkingen en mogelijkheden van appellant. Er was geen aanleiding een nieuw deskundigenonderzoek te gelasten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.