Appellant, werkzaam als allround warehouse operator, meldde zich in 2013 ziek vanwege gewrichtsklachten en ontving vanaf 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 59,96%, waarbij de uitkering ongewijzigd bleef tot februari 2018. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijziging met medische onderbouwing van zijn reumatoloog, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig en consistent waren en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van oktober 2015 een juiste basis vormde voor de beoordeling. Nieuwe medische stukken van appellant werden niet als relevant voor de datum in geding beschouwd. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gezondheid was verslechterd en dat oudere medische gegevens onvoldoende waren, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de FML en medische rapporten voldoende waren gemotiveerd en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant. De nieuw ingediende Duitse documenten betroffen een ander wettelijk kader en waren niet relevant voor de datum in geding. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.