ECLI:NL:CRVB:2019:3119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdig verstrekken bankafschriften
Appellante ontving sinds februari 2016 bijstand samen met haar toenmalige echtgenoot naar de norm voor gehuwden. Het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland heeft de bijstand opgeschort en later ingetrokken omdat appellante niet tijdig de gevraagde bankafschriften heeft overlegd.
Het college verklaarde het bezwaarschrift van appellante tegen het opschortingsbesluit niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Appellante stelde in hoger beroep dat een bezwaarschrift van haar echtgenoot mede namens haar was ingediend, maar de Raad oordeelde dat dit niet uit het bezwaarschrift bleek en dat het bezwaar van de echtgenoot niet automatisch voor appellante gold.
De Raad stelde vast dat appellante niet binnen de gestelde termijn de bankafschriften heeft verstrekt, dat deze documenten essentieel zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand, en dat appellante over de bankafschriften kon beschikken. Persoonlijke omstandigheden zoals een problematische relatie en een depressie werden niet voldoende onderbouwd om het verwijt van niet tijdig verstrekken weg te nemen.
Daarom was het college bevoegd de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet in te trekken. De aangevoerde gronden in hoger beroep slaagden niet en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens niet tijdig verstrekken van bankafschriften wordt bevestigd.