Appellante heeft een AOW-pensioen aangevraagd op grond van het feit dat haar echtgenoot in Nederland werkzaam zou zijn geweest. Zij overhandigde stukken waaruit alleen bleek dat haar echtgenoot in maart, april en mei 1992 medische behandelingen in Nederland onderging. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat haar echtgenoot slechts twee weken pensioen had opgebouwd bij het pensioenfonds voor de textielindustrie, wat onvoldoende is voor een AOW-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Uit het onderzoek bleek dat appellante niet kon aantonen dat haar echtgenoot langer dan twee weken in Nederland verzekerd was geweest en dat zij zelf in Turkije geen verzekeringstijdvakken had opgebouwd. Hierdoor was zij niet gerechtigd tot een AOW-pensioen op grond van artikel 7 vanPro de AOW.
De Raad verwees naar vaste jurisprudentie en benadrukte dat de door appellante overgelegde medische nota’s niet wijzen op een verzekering bij een ziekenfonds. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 september 2019 door M.M. van der Kade.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het AOW-pensioen wegens onvoldoende verzekeringsduur van de echtgenoot en het ontbreken van verzekeringstijdvakken in Turkije.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2017, 16/6452 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], Turkije (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 19 september 2019
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en vragen beantwoord.
Onder toepassing van artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante heeft een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Zij heeft daarbij gesteld dat haar echtgenoot, [naam echtgenoot], in Nederland werkzaam is geweest.
1.2.
De Svb heeft appellantes aanvraag bij besluit van 3 februari 2016 afgewezen onder de overweging dat van verzekering van de echtgenoot niet is gebleken. Appellantes bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 2 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1.
Appellante kan in aanmerking komen voor een AOW-pensioen als haar echtgenoot in Nederland verzekerd is geweest en als zij op grond van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid als meeverzekerde moet worden aangemerkt.
3.2.
Appellante heeft gesteld dat haar echtgenoot van 1978 tot en met 1993 in Nederland in de textielindustrie werkzaam is geweest. Zij heeft diverse stukken overgelegd waaruit dit zou moeten blijken.
3.3.
Voor zover uit de door appellante overgelegde stukken blijkt op welke periode deze betrekking hebben, komt uit deze stukken alleen naar voren dat haar echtgenoot in de maanden maart, april en mei van 1992 in Nederland medische behandelingen heeft ondergaan. Hieruit kan niet worden afgeleid dat hij in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
3.4.
Navraag door de Svb bij het pensioenfonds voor de textielindustrie heeft opgeleverd dat de echtgenoot van appellante daar in twee weken pensioen heeft opgebouwd. De Svb heeft zich daarom nader op het standpunt gesteld dat de echtgenoot van appellante twee weken verzekerd is geweest voor de AOW.
3.5.
Appellante heeft erop gewezen dat de Svb bij een kennis van haar verzekering heeft aangenomen naar aanleiding van een door deze kennis overlegde ziekenfondskaart. Dit geval is echter niet vergelijkbaar, nu appellante geen bewijs van lidmaatschap van een ziekenfonds van haar echtgenoot heeft overgelegd. Uit de door haar overgelegde nota’s voor medische behandeling van haar echtgenoot blijkt veeleer dat deze niet ziekenfondsverzekerd was.
3.6.
Uit 3.3 tot en met 3.5 blijkt dat appellante niet heeft aangetoond dat haar echtgenoot meer dan twee weken in Nederland verzekerd is geweest. Onderzoek van de Svb heeft verder uitgewezen dat appellante zelf in Turkije geen verzekeringstijdvakken heeft opgebouwd. Gezien het bepaalde in artikel 7 vanPro de AOW heeft appellante dus geen recht op een AOW-pensioen. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 16 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2812. De Svb heeft appellante dan ook terecht een pensioen op grond van de AOW geweigerd. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) P. Boer
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over verzekering.