Uitspraak
18.293 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2019.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft meerdere verzoeken ingediend bij het UWV om in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering, nadat een besluit van 25 januari 2001 tot afwijzing van zijn aanvraag onherroepelijk was geworden. Het UWV heeft deze verzoeken telkens afgewezen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In 2017 diende appellant wederom een aanvraag in, die door het UWV werd opgevat als een verzoek om terug te komen van het onherroepelijke besluit uit 2001. Dit verzoek werd afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze afwijzing in haar uitspraak van 19 december 2017.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn gezondheid is verslechterd en dat hij niet kan werken. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat het UWV terugkomt op het eerdere besluit. Ook is de aanvraag voor toekomstig terugkomen onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen van het WAO-besluit uit 2001 wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.