ECLI:NL:CRVB:2019:3159

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 september 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
19/711 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:10 AwbArt. 8:115 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestreden besluit niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt, beroep niet-ontvankelijk verklaard onterecht

Appellant had een aanvraag om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend, die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) op 22 augustus 2017 werd afgewezen. Appellant diende bezwaar in en gaf een gemachtigde op via een formulier "Aanvraag hoorgesprek" met volmacht, die door de Svb op 28 december 2017 werd ontvangen.

Het bestreden besluit, een beslissing op bezwaar van 2 januari 2018, werd verzonden naar appellant in Marokko, maar niet aan de gemachtigde. Appellant stelde dat hij het besluit pas op 8 maart 2018 ontving. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.

De Centrale Raad oordeelt dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt omdat het niet aan de gemachtigde is gestuurd, waardoor de beroepstermijn niet is aangevangen. Het beroep is daarom niet te laat ingediend en de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank was onterecht. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Er is geen aanleiding voor een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit of voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens onjuiste bekendmaking van het besluit.

Uitspraak

19.711 AOW

Datum uitspraak: 19 september 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 december 2018, 18/3104 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft de Svb de aanvraag van appellant om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) afgewezen. Bij brief van 17 november 2017 heeft de Svb de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 oktober 2017 aan appellant bevestigd. Hierbij is tevens vermeld dat appellant voor 17 januari 2018 een beslissing op zijn bezwaarschrift krijgt. Ook is verzocht het formulier “Aanvraag hoorgesprek” vóór 19 december 2017 aan de Svb terug te sturen. Bij brief van
18 december 2017 heeft appellant het formulier “Aanvraag hoorgesprek” aan de Svb verstuurd. Op dit formulier heeft appellant de naam en het adres van zijn gemachtigde in Utrecht vermeld. Bijgevoegd heeft appellant de aan die gemachtigde gegeven volmacht om hem te vertegenwoordigen bij de Nederlandse pensioeninstanties en alles te doen wat nodig is voor zijn pensioen. Het formulier “Aanvraag hoorgesprek” en de volmacht is door de Svb uiterlijk op 28 december 2017 ontvangen.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 2 januari 2018 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2017 ongegrond verklaard. Dit besluit is verzonden aan appellant in Marokko.
1.3.
De Svb heeft op 28 maart 2018 een brief van appellant ontvangen, gericht tegen het bestreden besluit. In deze brief die gedateerd is 11 maart 2018, heeft appellant onder meer te kennen gegeven dat hij het bestreden besluit pas op 8 maart 2018 heeft ontvangen. De Svb heeft de brief als beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Daartoe is overwogen dat de Svb de verzending van het bestreden besluit op 2 januari 2018 aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling van appellant dat hij het besluit van
2 januari 2018 pas op 8 maart 2018 heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de tijdige ontvangst van genoemd besluit op zijn adres te betwijfelen. Ook uit de door de in beroep overgelegde informatie van PostNL volgt zulke twijfel niet, omdat brieven vanuit Nederland naar Marokko blijkens die informatie 4-8 dagen onderweg zijn. Uitgaande van de verzending op 2 januari 2018 was de laatste dag van de beroepstermijn
13 februari 2018. Het beroepschrift van appellant is van na die datum. Niet is gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ter zitting heeft de Svb bevestigd dat het bestreden besluit ten onrechte niet aan de in de brief van 18 december 2017 vermelde gemachtigde van appellant is gestuurd. Dit betekent dat het bestreden besluit, gelet op artikel 2:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet “op de voorgeschreven wijze” als bedoeld in artikel 6:8 van Pro de Awb is bekendgemaakt. Met de verzending van het bestreden besluit op 2 januari 2018 is de beroepstermijn dan ook niet aangevangen. Dat beroep is ingesteld voordat het besluit van 2 januari 2018 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, leidt ingevolge artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, niet tot niet-ontvankelijkheid nu het bestreden besluit op 2 januari 2018 wel reeds tot stand was gekomen. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat het beroepschrift gedateerd 11 maart 2018 te laat bij de rechtbank is ingediend. De rechtbank heeft dit niet onderkend en het beroep van appellant wegens te late indiening ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd.
3.2.
In deze zaak wordt geen aanleiding gezien het geschil definitief te beslechten. In beroep en in hoger beroep is alleen gesproken over de ontvankelijkheid van het beroep van appellant. De rechtbank is aan een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit niet toegekomen. De zaak zal met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb worden teruggewezen naar de rechtbank.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2019.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) H. Achtot
lh