AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging ongegrondverklaring bezwaar tegen invordering studieschuld door minister
Appellante ontving studiefinanciering waardoor een studieschuld ontstond. De minister berichtte haar over de overdracht van de invordering van betalingsachterstanden aan een deurwaarder. Appellante maakte bezwaar tegen dit bericht, stellende dat de schuld al was afgelost en latere betalingen onverschuldigd waren. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het bericht geen besluit in bestuursrechtelijke zin betrof.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het bericht een privaatrechtelijke handeling betrof. In hoger beroep voerde appellante aan dat op grond van artikel 13 EVRMPro recht op een inhoudelijk oordeel bestond. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde dat er geen aanknopingspunt was voor een ander oordeel op basis van het EVRM.
De Raad stelde dat appellante tijdig bezwaar had kunnen maken tegen de jaarlijkse terugbetaalbesluiten waarin de hoogte van de schuld werd vermeld. Voor de invordering door de deurwaarder kon zij zich tot de civiele rechter wenden. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitspraak
17.6965 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 september 2017, 17/2224 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats], België (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1.
Appellante heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen. Als gevolg daarvan is een studieschuld ontstaan.
1.2.
Bij bericht van 23 november 2016 heeft de minister appellante meegedeeld dat de invordering van de betalingsachterstand over januari 2013 tot en met december 2014 zal worden overgedragen aan een deurwaarder.
1.3.
Bij besluit van 6 februari 2017 (bestreden besluit) is het door appellante tegen het bericht van 23 november 2016 gemaakte bezwaar – kort samengevat inhoudende dat de studieschuld finaal is afgelost door een betaling begin januari 2011 en de nadien gedane betalingen door appellante onverschuldigd zijn gedaan – niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het bericht van 23 november 2016 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het bevat geen publiekrechtelijke rechtshandeling, maar betreft de uitoefening van een privaatrechtelijke bevoegdheid.
3. Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar artikel 13 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),
aangevoerd dat zij recht heeft op een inhoudelijk oordeel over de door haar aangevoerde bezwaren.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Onder overneming van de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven. Dat betekent dat de minister niet gehouden was op de inhoudelijke aspecten van het bezwaar van appellante in te gaan.
4.2.
In artikel 13 vanPro het EVRM ziet de Raad voor het voorliggende geschil geen aanknopingspunt voor een andersluidend oordeel. Van een gebrek in rechtsbescherming als door appellante gesteld is geen sprake. Appellante had tijdig bezwaar kunnen maken tegen de (jaarlijkse) besluiten terugbetalen waarbij de hoogte van de op dat moment nog openstaande studieschuld werd vermeld. Voor zover appellante wenst op te komen tegen de invordering van de achterstallige schuld door een deurwaarder kan zij zich wenden tot de civiele rechter.
4.3.
Uit wat is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019.