ECLI:NL:CRVB:2019:320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende inzicht in kasstortingen
Appellante heeft op 26 april 2016 een aanvraag bijstand ingediend op grond van de Participatiewet, waarbij zij verklaarde gescheiden te zijn, geen inkomen te hebben en financieel te worden ondersteund door familie. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft de aanvraag afgewezen omdat appellante onvoldoende gegevens verstrekte om het recht op bijstand vast te stellen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte aannam dat haar ex-echtgenoot nog op haar adres woonde en dat haar psychische gesteldheid onvoldoende was meegewogen.
De Raad oordeelde dat appellante verplicht was om inzicht te geven in haar financiële situatie, waaronder de herkomst van twee kasstortingen van €930 en €840 op haar bankrekening in januari en februari 2016. Appellante kon deze stortingen niet verifiëren, ondanks het standpunt van haar gemachtigde dat het om bedragen van haar broer ging. De Raad vond dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde en bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad wees ook het beroep op haar psychische gesteldheid af omdat dit niet met bewijsstukken was onderbouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht in kasstortingen.