ECLI:NL:CRVB:2019:3257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen
Appellant heeft gedurende 2015 en 2016 meerdere kasstortingen op zijn bankrekening ontvangen die hij niet heeft gemeld aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Deze stortingen worden volgens de Participatiewet als inkomsten beschouwd en dienen te worden opgegeven bij het ontvangen van bijstand.
Appellant stelde dat de stortingen deels bestemd waren voor buitenlandse kennissen en familie, en deels eigen spaargeld betroffen. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze bedragen niet als middelen in de zin van de Participatiewet moeten worden beschouwd. De verklaringen van derden waren niet onderbouwd met objectief bewijs en appellant gaf geen consistentie in zijn verklaringen.
Verder werd vastgesteld dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door deze inkomsten niet te melden. Het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, vanwege de impact op het gezinsleven met zijn gehandicapte zoon, werd niet onderbouwd met financiële gegevens en faalde daarom.
De Raad bevestigde het besluit tot terugvordering en wees het verzoek tot vergoeding van proceskosten af. De bescherming van de beslagvrije voet blijft van toepassing bij invordering.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens niet gemelde kasstortingen wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.