ECLI:NL:CRVB:2019:3270

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2019
Publicatiedatum
16 oktober 2019
Zaaknummer
15/7997 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV met veroordeling in proceskosten en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV omtrent een WIA-uitkering. Na een tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep op 5 juni 2019 nam het UWV op 16 juli 2019 een gewijzigde beslissing die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant op 9 augustus 2019 het hoger beroep in en verzocht om veroordeling van het UWV in proceskosten en van de Staat in schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Raad stelde vast dat de procedure vanaf ontvangst van het bezwaarschrift op 27 september 2014 tot de uitspraak op 16 oktober 2019 meer dan vijf jaar had geduurd, wat de redelijke termijn met meer dan een jaar overschreed. De overschrijding was geheel toe te rekenen aan de Staat. De Raad veroordeelde het UWV in proceskosten van €1.633,88 en de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €1.500 aan appellant.

De uitspraak werd gedaan door B.J. van de Griend, in aanwezigheid van griffier L.R. Scherpenzeel-Carlier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019.

Uitkomst: Hoger beroep ingetrokken, UWV veroordeeld in proceskosten en Staat tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 oktober 2019
15/7997 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a, 8:88 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
6 november 2015, 15/1074 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 5 juni 2019 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2019:1825.
Het Uwv heeft op 16 juli 2019 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 9 augustus 2019 heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat, namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep en tot vergoeding van schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 juli 2019 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.536,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
De reiskosten die appellant heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting bij de Raad en voor het medisch onderzoek bij de deskundige, komen tot een bedrag van € 97,88 (openbaar vervoer 2e klas) voor vergoeding in aanmerking.
Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Vanaf de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 27 september 2014
tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure meer dan vijf jaar geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met meer dan één jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.500,-.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van het Uwv vijf maanden geduurd. De overschrijding is dus geheel toe te rekenen aan de Staat. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.500,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.633,88;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding
van schade tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2019.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) L.R. Scherpenzeel-Carlier

VC