ECLI:NL:CRVB:2019:3280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over ontoereikende medische grondslag bij WIA-uitkering
Appellant, een voormalig lasser, viel in september 2012 uit wegens rug- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen beperkingen vast in Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML) en berekende de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten, die door het UWV werden gehandhaafd en door de rechtbanken werden bevestigd.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen, met name psychische, waren onderschat en overhandigde medische rapporten van specialisten. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat appellant meer beperkingen had dan in de FML's waren opgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bleef bij haar eerdere standpunt, maar appellant steunde het deskundigenrapport.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport overtuigend en zorgvuldig was en dat het UWV onvoldoende had betwist. Daarom was de medische grondslag van de besluiten ontoereikend. De Raad droeg het UWV op binnen zes weken de FML's aan te passen en de gevolgen voor de arbeidsongeschiktheid te herzien. De uitspraak werd gedaan door D. Hardonk-Prins op 17 oktober 2019.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen de medische beperkingen aan te passen en de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast te stellen.