ECLI:NL:CRVB:2019:3315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens niet aannemelijk gemaakte hoofdverblijfplaats
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en overhandigde een huurovereenkomst voor een woning vanaf 2 januari 2017. Het college van burgemeester en wethouders van Schiedam wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij daadwerkelijk op het aanvraagadres woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf van een persoon ligt waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is, en dat de aanvrager verplicht is juiste en volledige informatie te verstrekken. Hoewel appellant een huurovereenkomst en inschrijving in de basisregistratie personen overlegde, waren er feiten die twijfel opriepen over zijn woonsituatie, zoals tegenstrijdige verklaringen over huurbetaling en het feit dat zijn vrouw in hetzelfde appartementencomplex woonde.
Een huisbezoek bevestigde dat er weinig persoonlijke spullen aanwezig waren, de slaapkamer werd gebruikt als schoonheidssalon en er waren weinig levensmiddelen. Appellant kon de consulenten niet wijzen op een tas met kleding en administratie. Ook zijn gezondheidsklachten konden het ontbreken van persoonlijke spullen niet voldoende verklaren. Verder gaf het waterverbruik geen duidelijkheid over bewoning in de relevante periode.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de beoordelingsperiode zijn hoofdverblijf op het aanvraagadres had en bevestigde daarom de afwijzing van de bijstandsaanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het aanvraagadres.