ECLI:NL:CRVB:2019:333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet melden werkzaamheden en niet verschijnen op oproep
Appellant ontving sinds 2010 bijstand en werd onderzocht nadat de Belastingdienst meldde dat hij een relatie had en samenwoonde met een partner. Uit onderzoek bleek dat appellant hand- en spandiensten verrichtte in het café van zijn ouders zonder dit te melden. Hij verscheen niet op meerdere oproepen van het college om hierover informatie te verstrekken.
Het college trok de bijstand met ingang van 17 januari 2017 in en vorderde terugbetaling van bijstand over de periode van maart 2015 tot januari 2017. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en het recht op bijstand over de gehele periode niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas na de beroerte van zijn vader was gaan werken en dat hij de uitnodiging voor het gesprek niet tijdig ontving. De Raad verwierp deze argumenten, stelde vast dat appellant begin 2017 nog werkzaamheden verrichtte en dat het niet tijdig ophalen van post voor zijn rekening kwam.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en niet verschijnen op een oproep.