Appellant, voormalig monteur, viel op 16 mei 2012 uit en ontving vanaf 14 mei 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 52,42%. Vanaf 14 juli 2015 werd een WGA-vervolguitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, later aangepast naar 35 tot 45%. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat zijn medische situatie sinds 2014 was verslechterd en dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat niet de subjectieve klachten, maar de objectief vastgestelde beperkingen leidend zijn. Ook vond de rechtbank geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, waaronder de verslechtering van zijn situatie, ADL-afhankelijkheid en communicatieproblemen door taalbarrières.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Medische rapporten toonden geen aanwijzingen voor verdergaande beperkingen dan eerder vastgesteld. De subjectieve klachten van appellant zijn onvoldoende onderbouwd met medische gegevens. Ook is niet gebleken dat communicatieproblemen de vaststelling van zijn belastbaarheid negatief hebben beïnvloed. Het verzoek tot het inschakelen van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid voor geselecteerde functies voldoende heeft gemotiveerd. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.