ECLI:NL:CRVB:2019:3355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum kinderbijslag en duurzame band met Nederland bij terugkeer uit het buitenland
Appellante, die in 1990 naar Nederland kwam en de Nederlandse nationaliteit heeft, vertrok in juni 2012 met haar gezin naar Irak. Na terugkeer in oktober 2015 vroeg zij kinderbijslag aan, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op dat moment geen duurzame band met Nederland had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat zij geen zelfstandige woonruimte had en onvoldoende objectieve factoren een duurzame band met Nederland aantoonden.
Appellante betoogde dat het ontbreken van zelfstandige woonruimte niet doorslaggevend mocht zijn en verwees naar een eerdere uitspraak waarin woningnood werd meegewogen. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat appellante pas vanaf het vierde kwartaal van 2016, na het verkrijgen van een huurwoning, een duurzame band met Nederland had. De intentie om zich definitief te vestigen werd onvoldoende ondersteund door objectieve omstandigheden.
De Raad concludeerde dat appellante vóór 1 oktober 2016 niet als ingezetene kon worden aangemerkt en dus niet verzekerd was op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. De dwingendrechtelijke aard van de bepalingen liet geen ruimte voor belangenafweging of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Appellante had vóór 1 oktober 2016 geen duurzame band met Nederland en was daarom niet verzekerd voor kinderbijslag; het beroep wordt afgewezen.