ECLI:NL:CRVB:2019:3366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat dienstverband pas op 16 februari 2016 is geëindigd na faillissement werkgever
Appellante trad op 28 augustus 2015 in dienst bij haar werkgever op basis van een oproepcontract. De werkgever werd op 9 februari 2016 failliet verklaard en de curator zegde het dienstverband op 16 februari 2016 op. Het UWV vergoedde vakantiegeld over de periode van 31 augustus 2015 tot en met 16 februari 2016, omdat het dienstverband volgens hen pas op die datum was geëindigd.
Appellante stelde dat zij al rond 16 november 2015 op staande voet was ontslagen en vorderde vergoeding van achterstallig loon over de dertien weken voorafgaand aan die datum. De rechtbank oordeelde echter dat uit de correspondentie en WhatsApp-berichten niet blijkt dat het dienstverband toen is beëindigd. Er was geen rechtsgeldige opzegging en de mededelingen voldeden niet aan de strenge eisen voor ontslag op staande voet.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar kon zij dit niet met concrete stukken onderbouwen. De verklaring van de werkgever vermeldde geen ontslag op staande voet en er was geen bewijs dat het dienstverband eerder was geëindigd dan 16 februari 2016.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het dienstverband pas op 16 februari 2016 is geëindigd. Het UWV heeft daarom terecht alleen vakantiegeld vergoed over de periode van 31 augustus 2015 tot en met 16 februari 2016. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dienstverband wordt geacht te zijn geëindigd op 16 februari 2016.