ECLI:NL:CRVB:2019:3420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2010 ziek gemeld vanwege psychische klachten, later aangevuld met lichamelijke klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe vanwege volledige arbeidsongeschiktheid, welke later werd herbeoordeeld en aangepast naar minder dan 35% arbeidsongeschiktheid op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van april 2016.
De ex-werkgeefster maakte bezwaar tegen deze wijziging, waarna het UWV besloot de WIA-uitkering per 29 juli 2016 te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en juist was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV haar beperkingen onderschatte, dat zij niet voldeed aan de opleidingseisen voor de geselecteerde functies en dat sprake was van reformatio in peius.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling juist en zorgvuldig was, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren, ook gelet op het opleidingsniveau en taalvaardigheid. Er was geen sprake van reformatio in peius omdat het bezwaar door de ex-werkgeefster was ingediend en het besluit per toekomstige datum inging.
Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde het bestreden besluit van het UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.