ECLI:NL:CRVB:2019:3422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Coulanceregeling PTSS Politie te laat ingediend, korpschef moet nieuwe beslissing nemen
Betrokkene was van 1969 tot 2008 werkzaam bij de politie en vroeg in 2015 te laat om toepassing van de Coulanceregeling PTSS. De korpschef erkende de PTSS als beroepsziekte, maar wees het verzoek vanwege te late indiening af. De rechtbank vernietigde dit besluit en beval een nieuwe beslissing.
In hoger beroep handhaafde de korpschef zijn afwijzing, stellende dat voldoende bekendheid met de regeling bestond en dat betrokkene eigen verantwoordelijkheid droeg. De Raad oordeelde dat de korpschef onvoldoende had onderbouwd waarom het vermijdingsgedrag van betrokkene niet verschoonbaar was, mede gezien diens PTSS en het feit dat hij na pensionering alle banden verbrak.
De Raad stelde ook vast dat de korpschef geen contact had gezocht met voormalige medewerkers met ernstige psychische problemen voorafgaand aan hun pensionering, wat volgens de redelijkheidstoets van de minister wel had moeten gebeuren. Daarom moest de korpschef de te late indiening als verschoonbaar beschouwen en een inhoudelijke beslissing nemen over de schadevergoeding.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak, vernietigde het nadere besluit van de korpschef, en veroordeelde hem tot betaling van proceskosten. Tevens werd bepaald dat een eventueel beroep tegen de nieuwe beslissing alleen bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: De korpschef moet de te late indiening van het verzoek om toepassing van de Coulanceregeling PTSS als verschoonbaar beschouwen en binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen.