ECLI:NL:CRVB:2019:3456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig medewerker spoelkeuken, viel in 2011 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Later werd deze uitkering beëindigd en omgezet in een loonaanvullingsuitkering, eveneens met 100% arbeidsongeschiktheid. Na een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 7 juni 2016.
Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen, waaronder een depressieve stoornis en paniekstoornis met agorafobie. Hij voerde aan dat de urenbeperking onterecht was geschrapt en dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschreden. Tevens verzocht hij om benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige en om vergoeding van wettelijke rente.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel, stelde vast dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunten te onderbouwen en dat het rapport van de psychiater geen aanleiding gaf tot bijstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst. Er was geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit een deugdelijke medische grondslag heeft en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.