Appellante, met lichamelijke beperkingen, ontving huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. Het college wijzigde de voorziening tot 4 uur en 15 minuten per week, gebaseerd op een urennormering uit 2012. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond omdat appellante niet meewerkte aan nader onderzoek.
In hoger beroep stelde appellante dat haar gezondheid was verslechterd en dat zij wel toestemming had gegeven voor nader onderzoek. Het college kon niet aantonen dat de gehanteerde urennormering gebaseerd was op objectief en onafhankelijk onderzoek. Bovendien verscheen het college niet op de zitting, waardoor de Raad negatieve gevolgtrekkingen kon maken.
De Raad vernietigde het besluit en de aangevallen uitspraak, en bepaalde dat appellante recht heeft op een maatwerkvoorziening van 5 uur en 15 minuten per week. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten. De Raad benadrukte dat bij toekomstige wijzigingen zorgvuldig onderzoek moet plaatsvinden en appellante aan dat onderzoek zal moeten meewerken.