ECLI:NL:CRVB:2016:1403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van huishoudelijke verzorging en maatwerkvoorzieningen onder de Wmo 2015
Appellante, met lichamelijke beperkingen, kreeg onder de oude Wmo een individuele voorziening van 5,5 uur huishoudelijke verzorging per week toegekend. Met de invoering van de Wmo 2015 wijzigde het college deze voorziening naar een collectieve maatwerkvoorziening van 78 uur per jaar, wat appellante betwistte. De rechtbank oordeelde dat het primaire besluit van het college niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd, maar dat het overgangsrecht correct was toegepast.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat huishoudelijke verzorging onder de Wmo 2015 valt en dat gemeenten beleidsvrijheid hebben bij de uitvoering, waaronder het gebruik van standaardmodules als maatwerkvoorziening. Echter, het college heeft onvoldoende objectief onderzoek verricht om te onderbouwen dat 78 uur per jaar voldoende is om het gewenste resultaat van een schoon en leefbaar huis te bereiken.
De Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin appellante recht kreeg op 156 uur ondersteuning per jaar en bepaalt dat zij voor de periode van 23 maart 2015 tot 1 februari 2016 recht heeft op 5,5 uur per week ondersteuning bij het voeren van een gestructureerd huishouden. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Appellante heeft recht op 5,5 uur per week huishoudelijke ondersteuning tot 1 februari 2016; het college heeft onvoldoende objectief onderzoek verricht voor de collectieve maatwerkvoorziening.