ECLI:NL:CRVB:2019:3479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor laatst verrichte arbeid
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek met psychische klachten terwijl zij een WW-uitkering ontving. Het UWV stelde haar per 26 april 2017 geschikt voor haar laatst verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond na een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij geen reden werd gezien om een deskundige te benoemen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door ADHD, depressieve klachten en medicatie niet in staat was haar werk te verrichten en dat de beperkingen onderschat waren. Zij verzocht om benoeming van een deskundige. Het UWV handhaafde het besluit.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle relevante medische informatie was betrokken. De verzekeringsarts had gemotiveerd vastgesteld dat appellante ondanks haar beperkingen geschikt was voor haar administratieve functie. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat de belastbaarheid onjuist was vastgesteld of om een deskundige te benoemen.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld.