ECLI:NL:CRVB:2019:3492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende wachttijd
Appellante was werkzaam als loket-entreemedewerkster en meldde zich ziek op 13 december 2013. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling werd haar ziekengeld voortgezet omdat zij niet ten minste 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV stelde later vast dat zij meer dan 65% kon verdienen en beëindigde haar Ziektewetuitkering per 15 november 2015. Tevens werd haar aanvraag voor een WIA-uitkering geweigerd omdat zij de wachttijd van 104 weken niet had vervuld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV te allen tijde bevoegd is tot herbeoordeling. De medische rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep waren voldoende gemotiveerd en hielden rekening met de beperkingen van appellante, waaronder chronische vermoeidheid en nekklachten. De geselecteerde functies waren medisch geschikt bevonden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de Ziektewetuitkering niet had mogen worden stopgezet en dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat het UWV terecht de uitkering had beëindigd en de WIA-uitkering geweigerd vanwege het niet vervullen van de wachttijd.
De Raad concludeerde dat de medische informatie en rapportages voldoende inzichtelijk en gemotiveerd waren en dat er geen aanleiding was om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te betwijfelen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering heeft beëindigd en de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens het niet vervullen van de wachttijd.