ECLI:NL:CRVB:2019:3556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor lichte arbeid
Appellante was werkzaam bij haar werkgever tot oktober 2013 en viel uit wegens nek-, schouder- en rugklachten. Het UWV stelde in 2015 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de beoordeling van de verzekeringsarts als zorgvuldig werden beschouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en verzocht zij om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat de gronden van hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren en onderschreef het oordeel van de rechtbank. Nieuwe medische stukken toonden aan dat er geen objectiveerbare afwijkingen waren die het oordeel van het UWV konden ondermijnen.
De verzekeringsarts had rekening gehouden met alle klachten en beperkingen, en concludeerde dat appellante geschikt was voor lichte arbeid conform de Functionele Mogelijkhedenlijst. De Raad zag geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellante geen WIA-uitkering toekomt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante geschikt is voor lichte arbeid.