ECLI:NL:CRVB:2019:3567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellante, werkzaam als medewerker stomerij, meldde zich in 2012 ziek met psychische klachten en ontving vanaf 2014 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 37,99%. Na melding van verslechtering in 2016 werd de uitkering ongewijzigd voortgezet met een nieuwe arbeidsongeschiktheid van 66,10%, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de verzekeringsarts de beperkingen adequaat had beoordeeld, inclusief de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige motiveerde voldoende dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante vielen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten over onderschatting van beperkingen en betwisting van de geschiktheid van functies, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het besluit, wees het verzoek tot schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding af.