ECLI:NL:CRVB:2019:3591
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep tegen beëindiging ziekengeld op grond van Ziektewet
Appellant ontving sinds 2003 een WAO-uitkering en meldde zich op 2 juni 2016 ziek met diverse lichamelijke en zichtklachten. Het UWV stelde op 6 juli 2016 vast dat appellant geschikt was voor bepaalde functies en beëindigde het ziekengeld per 8 juli 2016. Appellant maakte bezwaar en stelde zich op het standpunt dat hij zowel lichamelijk als psychisch zwaarder beperkt was dan het UWV aannam, onderbouwd met een rapport van psychiater Busard.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle klachten waren betrokken. Het rapport van Busard betrof de situatie rond april 2013 en was niet relevant voor de datum van 8 juli 2016. Appellant kon niet aantonen dat zijn situatie op die datum vergelijkbaar was met die uit het rapport.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV, oordeelde dat de bevindingen van Busard niet relevant waren voor de datum in geschil en dat er geen aanleiding was voor nader deskundigenonderzoek.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld per 8 juli 2016 wordt bevestigd.