ECLI:NL:CRVB:2019:36
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde werkzaamheden in garage
Appellant ontving sinds 2004 bijstand, maar het bestuur stelde na onderzoek vast dat hij werkzaamheden verrichtte in de garage van zijn broer zonder dit te melden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 8 juli 2014 en terugvordering van kosten over meerdere periodes, evenals een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde aan dat hij geen werkzaamheden had verricht, slechts aan zijn eigen auto's sleutelde, en dat hij niet had verklaard langdurig in de garage te hebben gewerkt. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant en de waarnemingen voldoende bewijs vormden voor het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden, ongeacht of hiervoor inkomsten werden genoten.
Verder mocht appellant worden gehouden aan zijn ondertekende verklaring, en zijn stelling dat hij de taal onvoldoende machtig was, werd verworpen. De Raad bevestigde dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, wat een rechtsgrond is voor intrekking en terugvordering van bijstand. De opgelegde boete werd als proportioneel beoordeeld. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en de opgelegde boete wegens niet gemelde werkzaamheden.