ECLI:NL:CRVB:2019:3619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, voormalig schilder, meldde zich in 2007 ziek en ontving vanaf 2009 een WGA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 47,64%, wat leidde tot verlaging van de uitkering per 1 mei 2018. Appellant tekende bezwaar aan, onder meer vanwege vermeende onzorgvuldigheid van het medisch onderzoek en onjuiste beoordeling van zijn beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De verzekeringsartsen hebben een gedegen anamnese en onderzoek verricht, waarbij ook eerdere medische informatie is betrokken. De arbeidsdeskundige heeft de functiegeschiktheid voldoende gemotiveerd, en het ontbreken van direct contact met appellant is niet onzorgvuldig.
De Raad benadrukt dat beperkingen in lezen, schrijven en zelfstandig handelen niet aannemelijk zijn gemaakt, en dat de gekozen functies actueel zijn. De verlaging van de uitkering per 2018 volgt uit wettelijke bepalingen. Het hoger beroep wordt verworpen, en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de WGA-uitkering bevestigd.