ECLI:NL:CRVB:2019:3622
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante was als callcentermedewerker werkzaam en meldde zich in april 2011 ziek met schouderklachten. Het UWV weigerde haar in maart 2013 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 12 april 2013. In december 2015 meldde zij toegenomen klachten, maar het UWV stelde dat deze niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkwamen en weigerde opnieuw een uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende had gemotiveerd dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten waren verergerd en verwees naar medische verklaringen, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank.
De Raad oordeelde dat het stellen van een diagnose niet bepalend is en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend had onderbouwd waarom de toename van beperkingen niet kon worden gevolgd. Er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering per 1 december 2015 bevestigd.