ECLI:NL:CRVB:2019:3641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als groepsleidster, meldde zich op 4 juni 2013 ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen, met name door het gebruik van duimbraces, onvoldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Zij verzocht ook om een onafhankelijk medisch of ergonomisch onderzoek. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rapportages van het UWV overtuigend en zorgvuldig waren en dat de FML de beperkingen op de datum in geding voldoende weerspiegelde.
De Raad bevestigde dat appellante medisch in staat is de geselecteerde functies te vervullen en dat de arbeidsdeskundige de belastbaarheid adequaat had gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige of het toekennen van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.